In zijn functie als OR-lid heeft een werknemer in een verlaten kantine tegenover drie collega’s kritiek geuit over de algemeen directeur. Hiervoor wordt hij op het matje geroepen en op non-actief gesteld, waartegen hij protesteert. De werkgever dient een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter in. In het verleden zijn er namelijk eerder klachten over de werknemer geweest, waarvoor hij een waarschuwing heeft gekregen. De werknemer spant een kort geding aan teneinde wedertewerkstelling in zijn functie en als lid van de ondernemingsraad te bewerkstelligen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de non-actief stelling niet is gerechtvaardigd. Allereerst bestaat er onzekerheid of de werknemer daadwerkelijk deze uitspraken heeft gedaan. Bovendien is de context waarin de vermeende uitlatingen zijn gedaan niet zodanig dat een op non-actief stelling is gerechtvaardigd. Niet alleen een werknemer mag zijn mening geven over zijn superieuren, maar ook een ondernemingsraadlid. Deze spreekt vanuit zijn functie met leidinggevenden en collega’s. Een werkgever moet bovendien altijd bedacht zijn op kritiek van zijn werknemers. Dit is onvermijdelijk in deze functie. Overigens speelt ook een rol dat de algemeen directeur in dit geval in de praktijk niets van doen heeft met de bewuste werknemer. De werkgever wordt veroordeeld tot wedertewerkstelling van de werknemer in zijn functie en als lid van de ondernemingsraad.
Voor een goede uitoefening van zijn taak als OR-lid, dient een werknemer onafhankelijk van de werkgever te kunnen optreden zonder bang te zijn voor vergeldingsacties. Artikel 21 WOR biedt bescherming tegen benadeling van werknemers die bij het functioneren van de ondernemingsraad zijn betrokken. In deze zaak was de werknemer verteld dat de op non-actiefstelling alleen een gevolg was van zijn uitlatingen. Later blijkt ook zijn vermeende disfunctioneren een rol te spelen. Dit is in strijd met het verbod op benadeling van artikel 21 WOR.












