Ontslag wegens detentie

Grote, complexe reorganisaties. Ze zorgen voor veel stress bij personeel, en ook bij de ondernemingsraad. Want die moet vaak snel advies uitbrengen. Hoe zorg je ervoor dat je toch grip op de zaak houdt?

Een werknemer werkte al ruim vijfendertig jaar bij ABN Amro, laatstelijk op de afdeling kredietadministratie. In april 2006 werd hij op verdenking van het plegen van ontucht met zijn minderjarige stiefzoon in voorlopige hechtenis genomen. Omdat de werknemer hierdoor niet langer in staat was zijn werkzaamheden te verrichten, zette ABN Amro zijn salaris stop. In augustus 2006 werd de werknemer veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan één voorwaardelijk. Toen ABN Amro vernam dat de werknemer niet in hoger beroep zou gaan, ontsloeg zij deze op 1 februari 2007 op staande voet. Na zijn detentie vocht de werknemer het ontslag op staande voet aan, en vorderde daarbij wedertewerkstelling en loondoorbetaling. Zowel de kantonrechter als het hof stelden de werknemer in het gelijk, waarna ABN Amro in cassatie ging.

De Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt dat in geval van een ontslag op staande voet, in beginsel alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. Het enkele feit dat de werknemer gedetineerd is en daardoor zijn werk verzuimt, is naar het oordeel van de Hoge Raad niet voldoende. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het antwoord op de vraag of een detentie en het daaruit voortvloeiende werkverzuim van een werknemer voldoende zijn voor een ontslag op staande voet, afhangt van bijkomende omstandigheden als de vraag of de werknemer verwijtbaar gedetineerd is geraakt en of hij de werkgever van zijn detentie in kennis heeft gesteld. In de onderhavige situatie acht de Hoge Raad het bovendien van belang dat het strafbare feit waarvoor de werknemer is veroordeeld in geen enkel verband stond met zijn werkzaamheden voor ABN Amro, dat het delict zich geheel in de privésfeer heeft voltrokken en dat niet is gebleken dat de strafbare handelingen enige negatieve invloed hebben gehad op zijn functioneren. Bovendien heeft ABN Amro geen directe schade geleden als gevolg van de detentie van de werknemer. Immers, ABN Amro betaalde het salaris van de werknemer al vanaf de voorlopige hechtenis niet meer door.
De Hoge Raad concludeert derhalve op grond van het voorgaande, tezamen met de duur van het dienstverband en de leeftijd van de werknemer, dat de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling en detentie van de werknemer niet voldoende zijn voor het ontslag op staande voet.

Conclusie
Uit deze uitspraak blijkt dat het enkele werkverzuim wegens detentie op zichzelf geen dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Een werkgever zal in een dergelijk geval dus bijkomende omstandigheden moeten aanvoeren die een ontslag op staande voet rechtvaardigen. Daarbij moet hij nadrukkelijk rekening houden met de aard van het delict, het verband tussen het delict en de werkzaamheden, de duur van het dienstverband en overige persoonlijke omstandigheden van de werknemer.

Hoge Raad, 17 december 2010

Auteur: Chris Nekeman, advocaat bij Kennedy Van der Laan te Amsterdam

Meer interessante en relevante jurisprudentie vind je in Rechtspraak voor Medezeggenschap.

Lees meer over

Onderwerpen aanpassen

Mijn artikeloverzicht kan alleen gebruikt worden als je bent ingelogd.